Aan mij niet besteed

Het boek The Catcher in the Rye heb ik voor het laatst gelezen in 1971, maar één fragment is me altijd bijgebleven. Iemand zegt dat het nut van studeren vooral is dat je ermee ontdekt wat voor soort hersens je hebt, zodat je daarna geen tijd meer hoeft te verliezen met ideeën die daar niet bij passen. Nu zal ik wel het verkeerde vak gestudeerd hebben, want van een dergelijk effect is me destijds niets gebleken en ik heb in mijn leven wel degelijk een hoop tijd verprutst aan bezigheden waarvan ik beter had kunnen afzien. Maar al doende leert men, en nu ik de pensioengerechtigde leeftijd bereikt zou hebben als die niet bij mijn nadering in hetzelfde tempo was opgetrokken, heb ik een redelijk overzicht van zaken die ik niet moet proberen omdat ik er niet geschikt voor ben.

Ik heb het daarbij niet over kwesties waar iederéén een hekel aan heeft. Geheime CIA-gevangenissen,  de NRC-bijlage Lux, interviews van Andries Knevel, het karakter van Joran van der Sloot, de programmering van SBS6, Griekse overheidsstatistieken, het chloorgehalte van zwembadwater, het verkeerscirculatieplan van de stad Utrecht – ze hebben geen fans en dat is terecht. Waar het me over gaat, zijn dingen waar miljoenen mensen met volle teugen van genieten, die ze beschouwen als de spijs in het krentenbrood van hun leven, maar waaraan voor mij niets plezierigs te ontdekken valt.

Neem wintersport. Tallozen nemen in deze tijd van het jaar een weekje vrij voor een reis naar de bergen waar ze dan herhaaldelijk glimlachend vanaf suizen, maar ik kan totaal niet begrijpen wat daar leuk aan is. In de eerste plaats vindt dit geheel plaats in de sneeuw en die is koud. Dat dit een nadeel is, geven de wintersporters impliciet toe doordat ze zich uitrusten met gewatteerde pakken en gebreide mutsen: als ze de koude prettig zouden vinden, zouden ze immers in badkleding op de ski’s staan. Vorige winter was heel Nederland drie maanden lang bedekt met een halve meter sneeuw, en aan het geklaag kwam geen eind. Waarom de problemen dan opgezocht? In de tweede plaats draagt skiën het risico in zich dat men met hoge snelheid tegen een bevroren berghelling te pletter slaat, getuige het grote aantal vliegtuigen die gedeeltelijk verbrijzelde vakantiegangers terug naar huis moeten brengen. De rest van het maatschappelijke regelstelsel is er meer en meer op gericht ieder risico uit te sluiten, helmen en veiligheidsgordels zijn verplicht gesteld en sigaretten verboden, binnen twee jaar zijn roomboter en pizza’s alleen nog op doktersrecept verkrijgbaar, maar als de gipsvluchten binnenkomen ziet de overheid vertederd toe.

Of neem het new-age-gedachtegoed. Waar de georganiseerde officiële religies door de misdragingen van het grondpersoneel hun krediet wel zo ongeveer verspeeld hebben, worden de uiterlijke vormen, zoals daar zijn toonloos gezang en eigenaardig geurende dampen, overgenomen door spontaan opgebloeide meditatieclubjes. De stichtelijke werken der kerkvaders zijn uitverkocht, maar de boeken van Paulo Coelho liggen in grote stapels naast de kassa. Het lijkt erop dat er bij velen een fundamentele behoefte bestaat aan het gedachteloos navolgen van leiders die zonder nadere argumentatie superieure inzichten claimen, en die vervolgens niet geheel begrijpelijk formuleren. Johan Cruijff is een voorbeeld van hetzelfde verschijnsel in een andere context.  Voor deze aantrekkingskracht mis ik blijkbaar een zintuig.

Drugs, nog zoiets. Het gevoel te zweven, milde hallucinaties en onvoorspelbare fluctuaties in het verstrijken van de tijd: dit alles is zonder scheikundige ingrepen bereikbaar voor wie zich elke nacht enige malen laat wekken, zoals iedereen die een paar baby’s heeft grootgebracht zal kunnen bevestigen. Dus als iemand al de behoefte zou hebben de symptomen van beginnende waanzin te ondergaan – waarbij we in het midden laten waarom dat gewenst zou kunnen zijn –, dan is dit effect te bereiken op een wijze die niets kost en minder gevaren voor de gezondheid met zich meebrengt dan de producten der organische chemie.

Voor het oordeel dat ik mij van bepaalde zaken verre moet houden, is praktische ervaring met het desbetreffende verschijnsel niet nodig. Vage waarneming uit de verte is al voldoende om te beseffen dat ik mij uit de voeten moet maken. Operette. Een nieuw boek van Connie Palmen. Golf. Talentenjachten. Racefietsen. Snorfietsen. Whisky. Een nieuw programma van Beau van Erven Dorens. Het sociale netwerk Hyves. Bloemkool. De Fiat Multipla.

Vorige week ontving ik een brief van de gemeente. In verband met mijn leeftijd, schreven de vroede vaderen, zou ik er goed aan doen mij te bekwamen in de regels van het bridge. Vanuit het gemeentelijk fonds voor ouderenwelzijn was men bereid mij hierin gratis op te leiden. Ik heb deze brief ritueel verbrand.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Even bijkomen

Wat de moderne wereld zo vermoeiend maakt, is de afwezigheid van dom monnikenwerk. Neem nu het schrijven van een wetenschappelijk artikel. In de jaren tachtig, toen de middeleeuwen toch wel degelijk al voorbij waren, heb ik een stuk geschreven samen met twee andere auteurs waarvan er één in Aarhus, Denemarken, woonde. De manier waarop dat ging is dat we van tijd tot tijd over de post een dikke envelop met een nieuwe versie op papier kregen. Met rode inkt werden daarop verbeteringen aangebracht en dan werd de concrete tekst inclusief de verbeteringen in het net overgetikt. Daar gingen dan weer een of twee correctierondes met witte lak overheen; het uiteindelijk resultaat werd gefotokopieerd (op zichzelf een revolutionaire verandering, want nog tien jaar eerder zou er met carbonpapier zijn gewerkt) en opgestuurd naar Aarhus, waarna een periode van wachten begon. Een paar weken later bracht de post weer een envelop en herhaalde de geschiedenis zich.

Een ontzettend gedoe, inderdaad, maar het resultaat was dat je de hele dag bezig was zonder dat bij meer dan zeg een kwart van je activiteiten serieus nagedacht hoefde te worden. Tegenwoordig zijn alle routinematige slagen uit de procedure geautomatiseerd en bestaat het werk alleen nog maar uit inhoudelijk diepgravende interventies. Het soortelijk gewicht van de taak is daarmee aanzienlijk toegenomen en het is dan ook geen wonder dat ik overal hoor klagen over vermoeidheid en stress.

Vandaar dat de komst der sociale media zo verfrissend is. Blogs en tweets vergen, zacht gezegd, geen bovenmenselijke concentratie en ze kunnen daardoor de rustgevende functie van het vroegere overtikken en corrigeren goed overnemen.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Nieuwe opleidingen

In de nieuwe OU-studiegids is te lezen dat de faculteit Informatica werkt aan twee nieuwe opleidingen: de master Software Engineering en de bachelor Informatiekunde. Dat roept twee vragen op: is dat wel nodig, en zo ja, waarom worden ze dan niet meteen geopend?

De reden om te beginnen met deze nieuwe opleidingen is dat we ernaar streven het onderwijsaanbod zo relevant mogelijk te laten zijn voor onze studenten. De meesten van hen zijn al in de een of andere functie werkzaam binnen de ict, en studeren aan de OU om zich in hun vakgebied verder te ontwikkelen.

Heel veel studenten werken bijvoorbeeld als softwareontwikkelaar. De bestaande master Computer Science heeft voor hen twee nadelen: het programma van 120 ec vergt veel tijd om helemaal te doorlopen, en door de breedte van het curriculum zijn verschillende onderwerpen niet in de werksfeer toepasbaar. De nieuw ontworpen master Software Engineering gaat niet over informatica in de volle breedte, maar beperkt zich tot het deelgebied van de softwareontwikkeling. Dat heeft het voordeel dat voor de categorie ict’ers waarvoor deze opleiding bestemd is alle onderwerpen direct relevant zijn, terwijl de beperkte scope het mogelijk maakt binnen de omvang van 60 ec wel degelijk de diepgang te bereiken die je van een master verwacht. Het curriculum van de opleiding is gebaseerd op de “Curriculum Guidelines for Graduate Degree Programs in Software Engineering” (http://www.acm.org/education/curricula-recommendations). In Nederland bestaat al één andere SE-master, namelijk aan de Universiteit van Amsterdam.

De bachelor Informatiekunde heeft een groot deel van de onderwerpen gemeen met de bestaande bachelor Informatica, maar verschilt daarvan doordat er veel minder aandacht wordt besteed aan de formele, wiskundige en technische kanten van het vak en veel meer aan de psychologische, bedrijfskundige en maatschappelijke kanten van de automatisering. Deze opleiding is speciaal interessant voor ict’ers die tot dusverre zich vooral met programmeren hebben beziggehouden maar geleidelijk meer verantwoordelijkheid krijgen voor de validatie van de softwaresystemen uit bedrijfskundig oogpunt. Tot op zekere hoogte is de opleiding dus te vergelijken met de vroegere bedrijfskundige afstudeerrichting bij informatica. Er bestaan verschillende informatiekunde-bachelors aan Nederlandse universiteiten (maar geen enkele in deeltijd); de landelijke instroom bedraagt ongeveer 250 per jaar.

Waarom beginnen we niet meteen met deze nieuwe opleidingen? Om toestemming te krijgen voor de start van een rijksbekostigde universitaire opleiding zijn twee stappen nodig: een beoordeling van de macrodoelmatigheid door de CDHO, en een beoordeling van de kwaliteit door de NVAO. Macrodoelmatigheid gaat over de vraag of het openen van de opleiding in een behoefte voorziet en geen nadelige gevolgen heeft voor de benutting van de bestaande onderwijscapaciteit. Voor de master SE is stap 1 nu voltooid en de aanvraag voor stap 2 verzonden, voor de bachelor Informatiekunde is de aanvraag voor stap 1 verzonden. Eerder dit jaar is dit hele proces al succesvol doorlopen voor de hbo-opleiding Netwerk Hogeschool Informatica, die per 1 september met het onderwijs zal beginnen.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Informatica weer in de mode?

Volgens de New York Times (http://su.pr/2BqWLX) is informatica als studierichting in de Verenigde Staten plotseling weer in de mode gekomen. Het aantal deelnemers aan de eerste informaticacursus aan Harvard is in vijf jaar tijd verviervoudigd. Wat is de oorzaak van deze toename? De krant weet het antwoord: de explosie in populariteit van sociale netwerken, en meer in het bijzonder de film ‘The Social Network’.

Die verklaring is ook wel plausibel. Bekend is (http://su.pr/2Mj50Z) dat in de jaren tachtig het aantal rechtenstudenten sterk toenam onder invloed van de televisieserie ‘LA Law’. In recente jaren zijn in Nederland verschillende forensische hbo-opleidingen gestart als reactie op de populariteit van de CSI-series (http://su.pr/2IVcAW). Imago van een beroep wordt door zulke fictiewerken wel degelijk beïnvloed, en er is eerder al geconstateerd, bijvoorbeeld in een rapport van Jan van Leeuwen voor Informatics Europe (http://su.pr/5TIGn2), dat het saaie en weinig sociale beeld dat bij veel buitenstaanders van een ict-functie bestaat een belangrijke reden voor het achterblijven van de aanmeldingen voor de studie is.

De vraag is of de Open Universiteit van deze opleving veel gaat merken. Studenten aan de OU zijn geen schoolverlaters die hun kennis van een economische sector ontlenen aan wat via films en televisieseries tot hen doordringt: in het algemeen gaat het bij ons om professionals die heel goed weten wat er in de ict-sector gebeurt en daardoor, zou je zeggen, wat minder gevoelig zijn voor beelden die door de populaire media worden verspreid. Of zou een verschuiving in het imago van een vakgebied indirect en onbewust toch een rol kunnen spelen?

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Hobby

Het volwassen worden van een technologie betekent altijd het einde van een hobby. De omroepvereniging VARA is in naam een vereniging van arbeiders-radio-amateurs omdat ten tijde van de oprichting het beluisteren van de radio een serieuze vrijetijdsbesteding was, die vele uren gezellig prutsen per week kon opleveren: je kon bij wijze van spreken niet van zender wisselen zonder de soldeerbout erbij te halen.

Nu heb ik die historische tijden niet meegemaakt (zeg ik er maar even bij), maar wel herinner ik me nog de televisietoestellen uit de jaren vijftig waar het bekijken van een uitzending voorafgegaan moest worden door het handmatig inregelen van contrast, helderheid, fijnafstemming en vooral de horizontale en verticale synchronisatie, een met Fingerspitzengefühl te hanteren knoppenpaar dat moest bewerkstelligen dat het beeld soms min of meer stilstond. Ook moest men altijd even op het dak klimmen om aldaar een zinken harkje in de juiste richting te draaien.

Iets soortgelijks is gebeurd in de fotografie, waar de vaardigheid om op grond van ervaring de weersomstandigheden in te schatten op 1/250 seconde bij f/8 niet meer in tel is, evenmin als het vermogen in totale duisternis een kleinbeeldfilm van 1,8 m de spiraal van een ontwikkeltank in te wurmen. Zelfs automobilisten rijden fluitend weg zonder enig benul van de juiste hoeveelheid choke bij 5 graden Celcius en lichte motregen.

Gelukkig zijn er de computers nog. In gebruiksvriendelijkheid zijn die ergens blijven steken in het stadium dat de radio in 1925 had bereikt, zodat de eigenaar van een dergelijke machine vrij veel tijd doorbrengt met het herinstalleren van applicaties die om onduidelijke redenen plotseling dienst weigeren en het nadenken over de juiste interpretatie van systeemmededelingen inzake het al dan niet gewenste accesseren van zekere geheugenplaats waarvan het adres in het zestientallig getalstelsel wordt bijgeleverd. Als ik over een paar jaar met pensioen ben, zal ik dus geen moeite hebben de dag te vullen zonder mijn toevlucht te hoeven nemen tot geraniums.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

Geen witte jassen meer

In stukken over de ontwikkeling van ict in de afgelopen halve eeuw gaat het er altijd over dat de apparatuur veel kleiner en sneller is geworden. Inderdaad: een computer vereiste vroeger een apart gebouw dat zorgvuldig op een constante temperatuur moest worden gehouden. Zo’n gebouw heette een rekencentrum en in de jaren zeventig zijn ze bij alle universiteiten neergezet. De capaciteit van zo’n rekencentrum was ongeveer die van zo’n apparaatje van postzegelformaat dat voor muziek onderweg zorgt.

Maar er is ook een andere ontwikkeling geweest, die misschien nog belangrijker was: de democratisering van het gebruik. In de oude rekencentra waren de machines zorgvuldig afgeschermd van de gebruikers. Alleen mannen in witte jassen, operators genaamd, hadden het voorrecht de knoppen te mogen aanraken. Alle andere gebruikers mochten alleen dozen met ponsband of ponskaarten inleveren en daarna een dag of twee wachten totdat ze een envelop met output in hun postvakje aantroffen. Vanachter een houten hekje mochten bezoekers de bedrijvigheid van de operators gadeslaan. Op de machines waren gekleurde lichten gemonteerd die aan- en uit flitsten om de toeschouwers duidelijk te maken dat er veel gebeurde.

Met het Internet is het net zo gegaan. Sites van de eerste generatie, die bestonden uit statisch foldermateriaal, werden exclusief vervaardigd door een selecte kaste die zich webmaster mocht noemen. Terwijl nu alle lagen der bevolking, van koningin tot scholier, routinematig verslag doen van hun dagelijks leven tot vermaak van hun echte en virtuele vrienden.

Distributie van contentcreatie kan goed gaan (een voorbeeld is imdb.com, een site die het beroep van filmcriticus overbodig maakt) of slecht (Usenetgroepen die overwoekerd worden door off-topic querulanten). Het toevoegen van Web 2.0-functionaliteit aan elektronische leeromgevingen is op dit moment de grote mode aan universiteiten en hogescholen. Als dat maar goed afloopt.

Geef een reactie

Opgeslagen onder Uncategorized